• Dinsdag 5 Maart : Uit de profeet Daniël 3,25.34-43.
    In die dagen verrichtte Azarja staande dit gebed: “Terwille van uw Naam: verstoot ons toch niet voorgoed en verbreek niet uw verbond, trek uw barmhartigheid niet van ons terug terwille van Abraham, uw vriend, terwille van Isaak, uw dienaar, en van Israël, uw heilige. Aan hen hebt Gij beloofd hun nakomelingen even talrijk te maken als de sterren aan de hemel en de zandkorrels aan het strand der zee. Maar nu zijn wij, Heer, het kleinste volk geworden van alle volkeren op aarde en nergens ter wereld hebben wij nog iets te betekenen vanwege onze zonden. Wij hebben nu geen koning meer, geen profeet, geen leider, geen brand- en slachtoffers, geen spijsoffers en reukwerk, zelfs geen heilige plaats waar wij U kunnen offeren om zo uw barmhartigheid te kunnen ervaren. Maar laat ons bij U gehoor vinden vanwege ons vermorzeld hart en onze ootmoedige geest. Moge vandaag ons offer bestaan in volmaakte aanhankelijkheid aan U en moge het U evenzeer behagen als kwamen we met brandoffers van rammen en stieren en met tienduizenden vette lammeren, want geen smaad treft hen, die op U vertrouwen. Thans volgen wij U van ganser harte, wij eerbiedigen U en zoeken U. Laat ons toch niet te schande worden, maar handel met ons naar uw goedheid en naar uw grote barmhartigheid. Red ons op uw wonderbare wijze en verheerlijk, Heer, uw Naam.”
  • Dinsdag 5 Maart : Psalmen 25(24),4bc-5ab.6-7bc.8-9.
    Toon mij uw wegen, Heer, En maak mij uw paden bekend; Wijs mij de weg van uw waarheid en onderricht mij, want U bent de God die mij redt. Denk aan uw barmhartigheid, Heer, aan uw liefde door de eeuwen heen. maar denk met liefde aan mij. en laat uw goedheid spreken, Heer. Goed en rechtvaardig is de Heer, Hij wijst zondaars de weg, Wie nederig zijn leidt Hij in het rechte spoor, Hij leert hun zijn paden te gaan.
  • Dinsdag 5 Maart : Uit het heilig Evangelie van onze Heer Jezus Christus volgens Matteüs 18,21-35.
    In die tijd kwam Petrus naar Jezus toe en sprak: 'Heer, als mijn broeder tegen mij misdoet, hoe dikwijls moet ik hem dan vergeven? Tot zevenmaal toe?' Jezus antwoordde hem: 'Neen, zeg Ik u, niet tot zevenmaal toe, maar tot zeventigmaal zevenmaal. Daarom gelijkt het Rijk der hemelen op een koning die rekening en verantwoording wilde vragen aan zijn dienaren. Toen hij hiermee begon, bracht men iemand bij hem die tiendui­zend talenten schuldig was. Daar hij niets had om te betalen gaf de heer het bevel hem te verkopen met vrouw en kinderen en al wat hij bezat om zo de schuld te vereffenen. De dienaar wierp zich voor hem neer en smeekte: Heer, heb geduld met mij en ik zal u alles betalen. De heer kreeg medelij­den met die dienaar, liet hem gaan en schold hem de geleende som kwijt. Maar toen die dienaar buiten kwam, trof hij daar een andere dienaar die hem honderd denariën schuldig was; hij greep hem bij de keel en zei: Betaal wat je schuldig bent. De andere dienaar wierp zich voor hem neer en smeekte: Heb geduld met mij en ik zal u betalen. Maar hij weigerde en liet hem zelfs in de gevangenis zetten, totdat hij zijn schuld zou hebben betaald. Toen nu de overige dienaren zagen wat er gebeurd was, waren zij diep verontwaardigd en gingen hun heer alles vertellen. Daarop liet de heer hem roepen en sprak: Jij lelijke knecht, heel die schuld heb ik je kwijtge­scholden, omdat je mij erom gesmeekt hebt. Had jij dan ook geen medelijden moeten hebben met je mededienaar, zoals ik met jou medelijden heb gehad? En in toorn ontstoken leverde zijn heer hem over aan de beulen, totdat hij zijn hele schuld betaald zou hebben. Zo zal ook mijn hemelse Vader met ieder van u handelen, die niet zijn broeder van harte vergiffenis schenkt.'
  • Dinsdag 5 Maart : H. Nerses Snorhali
    Toen de Rots je vroeg hoe vaak men zijn broer moest vergeven, zei U niet "Zeven keer", maar "Vierhonderdnegentig keer*”! 

In dit getal zijn de jaren van ons leven hier beneden vervat, van de zeven perioden van ons vluchtige leven: gedurende al de tijd dat we in dit lichaam zijn, moet de berouwvolle vergeven worden. 

En hoewel ik de laatste was die de schuldenaar niet vergaf, Vanwege de ziekelijke aard van mijn ziel, En onvolmaakt te zijn in het goede, Toch is in mij vervuld door U Het woord van uw gebod, mij opgelegd; Vergeef alstublieft mijn fouten, schulden aan U, Die talrijker zijn dan het zand van de zee. 

Moge de wet van de zeventig maal niet alleen mij passen, mijn arme ik, maar moge uw wet nog meer versterkt worden, naar uw barmhartigheid, die niet te tellen is. 

* Met "490 maal" bedoelt de schrijver "70 maal 7 maal".
  • Maandag 4 Maart : Uit het 2e boek der Koningen 5,1-15a.
    In die dagen was Naäman, de legeroverste van de koning van Aram, zeer gezien bij zijn heer en had grote invloed, want door hem had God de Heer voor Aram uitkomst gebracht. Hij was een groot soldaat, maar de man leed aan een huidziekte. Nu hadden Arameese benden eens een strooptocht ondernomen in Israël en daarbij een jong meisje buitgemaakt, dat was nu in dienst bij de vrouw van Naäman. Ze zei tot haar meesteres: “Och, kon mijn heer maar eens naar de profeet gaan, die in Samaria woont, die zou hem wel van zijn ziekte afhelpen.” Naäman ging aan zijn heer vertellen wat het meisje uit Israël gezegd had. Toen zei de koning van Aram: “Ga erheen, ik zal u een brief meegeven voor de koning van Israël.” Hij ging op weg, nam tien talenten zilver, zesduizend sikkel goud en tien feestgewaden mee, en meldde zich met de brief bij de koning van Israël. Daarin stond: Met deze brief zend ik mijn dienaar Naäman tot u; ik verzoek u hem van zijn huidziekte te genezen. Zodra de koning van Israël de brief gelezen had, scheurde hij zijn kleren en zei: “Ben ik soms God, met macht over leven en dood, dat hij iemand naar mij toestuurt, die ik van zijn huidziekte moet genezen? Let maar eens op mijn woorden: hij zoekt ruzie met mij.” Toen Elisa, de man Gods, hoorde dat de koning van Israël zijn kleren gescheurd had, liet hij de koning vragen: “Waarom hebt gij uw kleren gescheurd? Stuur hem naar mij toe. Dan zal hij weten, dat er een profeet is in Israël.” Toen ging Naäman met zijn paarden en wagen op weg en hield stil voor het huis van Elisa. Deze zond iemand met de boodschap: Was u zevenmaal in de Jordaan, dan zal uw huid weer gezond worden en zult gij gereinigd zijn. Toen werd Naäman boos en ging heen. Hij zei: “Ik had gedacht: hij zal naar buiten komen en voor me gaan staan. Dan zal hij de Naam van de Heer zijn God aanroepen, met zijn hand over de plek strijken en de ziekte wegnemen. Zijn de Abana en de Parpar, de rivieren van Damascus, soms niet beter dan al de wateren van Israël? Kan ik mij daarin niet wassen om gereinigd te worden?”  Hij keerde zich om en ging verontwaardigd heen. Maar zijn dienaren gingen naar hem toe en zeiden: “Vader, gesteld dat de profeet u iets moeilijks opgedragen had, dan had gij het toch ook gedaan? Waarom dan niet, nu hij u zegt, dat ge u maar hoeft te wassen om weer rein te worden?” Toen ging hij naar de Jordaan en dompelde zich zevenmaal onder, zoals de man Gods gezegd had. Zijn huid werd weer als die van een klein kind en hij was gereinigd. Hij keerde met heel zijn gevolg naar de man Gods terug, trad het huis binnen, ging vóór hem staan en zei: “Nu weet ik, dat er alleen in Israël een god is, en nergens anders op aarde.”
  • Maandag 4 Maart : Psalmen 42(41),2-3.43(42),3-4.
    Zoals het hert de beekjes zoekt, zo zoekt mijn geest naar U, mijn God. Mijn ziel dorst naar God, naar de levende God: Zal ik Hem ooit bereiken en zijn aanschijn zien? Zend mij uw licht, uw steun om mij te leiden, om mij te voeren naar uw berg en in uw tent. Dan ga ik naar uw altaar, God die blijdschap geeft, en loof U bij de citer, God, mijn God.
  • Maandag 4 Maart : Uit het heilig Evangelie van onze Heer Jezus Christus volgens Lucas 4,24-30.
    Toen Jezus in Nazareth kwam zei Hij tot het volk in de synagoge : Voor­waar, Ik zeg u: geen profeet is heilzaam voor zijn eigen vaderstad. En het is waar wat Ik u zeg: in de tijd van Elia immers, toen de hemel drie jaar en zes maanden gesloten bleef en een grote hongersnood uitbrak over het hele land, waren er veel weduwen in Israel; toch werd Elia tot niemand van hen gezonden, behalve tot een weduwe in Sarepta in het gebied van Sidon. En in de tijd van de profeet Elisa waren er vele melaatsen in Israel; toch werd niemand van hen gereinigd, behalve de Syrier Naaman.' Toen ze dit hoorden, werden allen die in de synagoge waren, woedend. Ze sprongen overeind, joegen Hem de stad uit en dreven Hem voort tot aan de steile rand van de berg waarop hun stad gebouwd was, om Hem daar in de afgrond te storten. Maar Hij ging midden tussen hen door en vertrok.

Teksten zijn ontleend aan de website "Dagelijks Evangelie, www.dagelijksevangelie.org" 

Copyright © 2024 Heilige Titus Brandsma parochie Wageningen e.o. Alle rechten voorbehouden.
Disclaimer & Webmaster